Uw kennis van een taal wordt ingedeeld via het Schema Taalvaardigheid, dat is ontwikkeld door de Raad van Europa. Met de korte versie van dit Schema hieronder kunt u zelf uw niveau bepalen.
Er wordt een onderscheid gemaakt naar luisteren, lezen, spreken en schrijven. Per vaardigheid kan uw niveau anders zijn.
(maakt formeel geen deel uit van het Schema) Ik heb geen enkele kennis van de taal.
Luisteren: ik kan vertrouwde woorden en basiszinnen begrijpen, als
mensen langzaam spreken;
Spreken: ik kan deelnemen aan een eenvoudig gesprek, als mensen langzaam
praten en simpele woorden gebruiken;
Lezen: ik kan vertrouwde namen en zeer eenvoudige zinnen lezen en begrijpen;
Schrijven: ik kan een simpele ansichtkaart schrijven en mijn persoonlijke
gegevens invullen op een formulier.
Luisteren: ik kan basisinformatie over mijn directe omgeving en situatie
begrijpen:
Spreken: ik kan over eenvoudige en alledaagse bezigheden communiceren
en zeer korte sociale gesprekken voeren;
Lezen: ik kan zeer korte eenvoudige teksten lezen en standaardinformatie
vinden in alledaagse tesktsen;
Schrijven: ik kan korte, eenvoudige notities of een zeer eenvoudig
persoonlijk bedankbriefje schrijven.
Luisteren: ik kan hoofdpunten begrijpen van radio en tv over actuele
zaken, zolang duidelijk wordt gesproken;
Spreken: ik kan onvoorbereid deelnemen aan gesprekken over onderwerpen
die vertrouwd zijn of betrekking hebben op het dagelijks leven;
Lezen: ik kan teksten begrijpen in alledaagse of aan mijn werk gerelateerde
taal;
Schrijven: ik kan een eenvoudige samenhangende tekst schrijven over
vertrouwde onderwerpen of over zaken van persoonlijk belang.
Luisteren: ik kan lange betogen en complexe redeneringen volgen over
vertrouwde onderwerpen;
Spreken: ik kan vloeiend deelnemen aan een normaal gesprek en kan binnen
een vertrouwde context in een discussie mijn standpunten uitleggen en ondersteunen;
Lezen: ik kan artikelen lezen over eigentijdse problemen en ik kan
literair proza begrijpen;
Schrijven: ik kan over onderwerpen die mij interesseren een duidelijke,
gedetailleerde tekst schrijven.
Luisteren: ik kan zonder veel inspanning tv-programma's en films begrijpen;
Spreken: ik kan mezelf vloeiend uitdrukken en de taal effectief en
flexibel gebruiken, sociaal en professioneel;
Lezen: ik kan lange en complexe teksten begrijpen en het gebruik van
verschillende stijlen waarderen;
Schrijven: ik kan een duidelijke, goed gestructureerde tekst schrijven
en redelijk uitgebreid standpunten uiteenzetten in een stijl die is aangepast
aan de lezer.
Luisteren: ik kan moeiteloos gesproken taal begrijpen zelfs in snel
tempo, mits ik tijd heb om aan het accent te wennen;
Spreken: ik kan mezelf vloeiend uitdrukken en fijnere nuances precies
weergeven;
Lezen: ik kan moeiteloos lezen, zelfs abstracte of taalkundig complexe
teksten en specialistische artikelen;
Schrijven: ik kan complexe brieven en verslagen en een duidelijke en
vloeiend lopende tekst schrijven in een gepaste stijl.